De kleinste van de fuutachtigen, een veel voorkomende maar schuwe watervogel.

De Dodaars (Tachybaptus ruficollis), in broedkleed of prachtkleed bruine bovendelen, kastanjebruine keel, wangen en voorzijde nek. Opvallende lichte vlekken aan beide zijden van de snavelbasis. In die periode hoor je ook de roep, een luide, hinnikende triller. Buiten het broedseizoen zijn ze bruin-grijs van kleur.

De veren op hun achterwerk zijn pluizig, vandaar hun naam.

Ze leven voornamelijk op langzaam stromend, zoet of zout water en duiken om allerlei prooi te pakken te krijgen.

Vroeger werd van de gelooide huid een tasje gemaakt, soms gebruikt als geldbeugel of soms als hageldrager voor het jachtgeweer. In Zeeland werd die daarom Kleine Aegelzak genoemd.

FR: Grèbe castagneux